Rechtrichten:

Waarom?:
Als we het paard in de natuur bekijken valt ons een aantal dingen op:
-in de natuur zal het paard nooit uit zichzelf een hele volte lopen
-als het paard een bocht maakt, zal hij zijn balans op zijn binnen voorbeen zoeken
-het paard loopt graag in een graashouding met het meeste gewicht op de voorhand, waarbij hij net als de mens links- of rechtshandig is
-op het moment dat hij alert is neemt hij een vluchtpose aan met een hoge hoofd-halshouding en aangespannen rugspieren
-zal het paard nagenoeg geen gewicht op zijn rug dragen

Dus......:
Willen we van het paard een rijpaard maken zullen verschillende stappen doorlopen moeten worden. Anders zal het paard met ons op zijn rug op de voorhand blijven lopen met verkeerd ruggebruik en alle gevolgen van dien ( zoals slijtage aan de gewrichten, kissing spines, verzet tijdens de training...etc.).
De ruiter moet het paard dus leren om ons vanuit de achterhand en met correct ruggebruik te leren dragen. Het rechtrichten kan hierbij helpen.
Rechtrichtende buigarbeid zorgt ervoor dat het paard zich gelijkmatig ontwikkeld in zijn hele lichaam, waardoor hij sterker zal worden in zijn achterhand en dus meer gewicht kan overnemen van de voorhand. Daardoor zal het paard in een opwaartse houding gaan lopen ( natuurlijke oprichting).
Zo ontstaat er door het rechtrichten de volgende ontwikkeling:
-van een natuurlijke asymmetrie naar een rechtgericht paard
-van natuurlijk evenwicht naar een rijkunstig evenwicht
Een belangrijk onderdeel binnen het rechtrichten zijn de verschillende dimensies van de scheefheid van het paard, want zonder deze kennis is het lastig om het paard gelijkmatig te trainen.

De 9 dimensies van de fysieke, natuurlijke scheefheid zijn:
1) Laterale scheefheid

De laterale scheefheid omvat de links- of rechtsbuiging in het lichaam.
Het paard heeft een holle kant en een bolle kant en is daardoor rechts- of linksgebogen.
Aan de holle kant zitten de korte, sterke spieren en aan de bolle kant de lange, slappe spieren.
Is de linkerkant van het paard de holle kant, dan noemt men dit paard “linksgebogen”, en zal dit paard makkelijker naar links inbuigen.

2) Horizontale scheefheid
De horizontale scheefheid betreft het op de voorhand lopen.
Van nature draagt een paard 3/5 van zijn gewicht op de schouders en voorbenen en 2/5 op de achterbenen.
Dit wordt ook wel de horizontale onbalans genoemd.

3) Scheefheid voor
Net als mensen zijn paarden links-of rechtshandig in de voorbenen.
Het paard draagt zijn gewicht niet gelijkmatig over beide voorbenen, omdat het ene voorbeen sterker is en een betere coordinanie heeft.
Dit is ook het zogenaamde “graasvoetje” wat we vaak zien.
Op het moment dat het paard linksgebogen is, zal het vaak het rechter voorbeen meer belasten en dus “rechtshandig” zijn. >4) Scheefheid achter
Net als mensen, zijn paarden links- of rechtsbening in de achterbenen.
Het ene achterbeen functioneert daardoor meer stuwend en de ander meer dragend.
Het dragende achterbeen is soepeler en dit achterbeen stapt gemakkelijk onder het zwaartepunt.
Het stuwende achterbeen is stijver en rechter en zorgt voornamelijk voor de voortbeweging.

5) Scheefheid voor/ achter
De scheefheid voor/ achter betreft de verhouding schouder/ heupen. De schouders zijn smaller dan de heupen.
Van nature loopt het paard met zijn schouders niet precies gericht voor de heupen.
Wanneer het paard langs een wand loopt, wordt dit effect nog versterkt. Het paard plaatst dan zijn binnen achterbeen naast de massa.

6) Diagonale scheefheid
De diagonale scheefheid betreft de verschuiving van het zwaartepunt.
Een paard dat niet is gecorrigeerd in de natuurlijke asymmetrie en het natuurlijk evenwicht, valt op de binnenschouder of over de buitenschouder in beweging.
Hierdoor ontstaat er een diagonaal onbalans cq een diagonale verschuiving van het zwaartepunt naar een van de schouders en voorbenen.
Een linksgebogen paard zal hierdoor op de linkerhand door de diagonale scheefheid over de buitenschouder kunnen vallen. Op de rechterhand zal dit paard naar binnen kunnen vallen door het zwaartepunt dat op rechtsvoor ligt.
Let op:Opgemerkt moet worden dat er paarden zijn die op beide handen op de binnenschouder vallen of juiste op beide handen over de buitenschouder. Het is dus altijd balangrijk om naar het individuele paard te kijken en niet te generaliserend te zijn.

7) Verticale scheefheid
De verschuiving van het zwaartepunt door de diagonale scheefheid kan er voor zorgen dat het paard ook verticaal scheef t.o.v de grond gaat lopen.
In vrijheid is dit de gangbare manier voor het paard om door de bocht te komen. Verticaal scheef en met hoofd en nek naar buiten, als tegenhanger om in balans te blijven.
Bij hoge snelheid vertaalt zich dit in het “plat door de bocht” gaan.

8) Onbalans onder/ bovenlijn
Indien een ruiter de dimensies van de asymmetrie zoals hierboven genoemd niet corrigeert, dan resulteert dit meestal in onbalans in de spieren in de boven- en onderlijn van het paard.
Dit kan leiden tot incorrect ruggebruik, spanning in de rug en rugproblemen.

9) Asymmetrisch kauwen
De meeste paarden kauwen asymmetrisch en zullen een kant van hun kiezen meer gebruiken dan de andere kant.
Dit geeft asymmetrische spieren op het voorhoofd.


Mogelijke symptomen en problemen die kunnen ontstaan door natuurlijke scheefheid:
Rijkunstige problemen:
-Oefening wel op de ene hand kunnen uitvoeren en niet op de andere hand
-Moeite met afwenden
-Het op de binnenschouder vallen
-Het over de buitenschouder vallen
-Ongelijke aanleuning
-Niet nageeflijk
-Het “vastpakken” van het bit aan een kant
-Zwaar op de hand
-De teugel als vijfde been gebruiken
-Niet willen halsstrekken
-In de verkeerde galop aanspringen
-Overkruist aanspringen
-Niet vierkant halt kunnen houden
-Scheef achterwaarts gaan
-Ongewenst versnellen
-Dribbelen
-De ruiter niet laten doorzitten
-Ruiter en zadel zakken naar een kant
-Weinig schoudervrijheid
-Taktfouten

Mentale, emotionele en gedragsproblemen:
-Nerveus
-Verzet
-Staken
-Steigeren
-Bokken
-In paniek raken
-Oren in de nek bij bepaalde oefeningen

Fysieke problemen:
-Het hoofd kantelen
-Schudden met het hoofd
-Tandenknarsen
-Tong uit de mond
-Staartzwiepen
-Rugproblemen
-Kissing Spines
-Overbelasting voorhand
-Onregelmatigheid of kreupelheid
-( Klinisch) hoefkatrol
-Gewrichtsproblemen ( SI-, knie-, heup-)
-Spat
-Gallen

Let op: Bovenstaande problemen kunnen ook andere oorzaken hebben dan de natuurlijke scheefheid.
Natuurlijk moeten ook o.a. de onderstaande dingen in orde zijn:
-Voldoende ruwvoer
-Voldoende frisse lucht en zonlicht
-Contact met soortgenoten
-Vrije beweging in paddock of wei meerder uren per dag
-Goed passend zadel, hoofdstel en bit
-Correcte hoeven en/ of hoefbeslag
Als dit allemaal in orde is en de dierenarts, tandarts en overige specialisten hebben ook geen verklaring voor de problemen, dan kan het met de natuurlijke scheefheid te maken hebben.

Hoe?:
Het rechtrichten bestaat in de praktijk uit zes sleutels de ervoor zorgen dat het paard zich symmetrisch ontwikkelt in lijf en ledematen

Sleutel 1: Lengtebuiging
De eertse stap van het rechtrichten is het vragen van lengtebuiging aan het paard. Met lengtebuiging wordt bedoeld: de zoveel mogelijk gelijkmatige en doorgaande zijdelingse welving in de wervelkolom. Door de korte spieren te rekken en de lange spieren te laten aanspannen, kan het paard op beide zijdes de juiste lengtebuiging aannemen.

Sleutel 2: Voorwaarts neerwaarts
Als het paard zijn rug loslaat door het te stretchen in stap 1, kan hij zijn hals voorwaarts neerwaarts laten zakken. Door het stretchen van de buitenkant van het lichaam wordt de rugspier aan die kant lang. Een lange rugspier kan het hoofd niet omhoog houden, waardoor het paard zijn hals als het ware laat “vallen” in een voorwaarts neerwaartse houding.

Sleutel 3: Ondertreden
Door een correcte lengtebuiging komt de binnenheup van het paard naar voren, zodat het binnen achterbeen precies onder de massa kan treden, De voorwaarts neerwaartse tendens van het paard animeert het achterbeen tot doorswingen naar voren. Het correct ondertreden is een voorwaarde om het achterbeen in de volgende stappen te kunnen laten buigen.
Deze 3 stappen bij elkaar zorgen voor de LVO ? lengtebuiging, voorwaarts neerwaarts en ondertreden. De LVO dient op alle hierop volgende oefeningen aanwezig te zijn.

Sleutel 4: Buiging binnenachterbeen
Als het paard de juiste lengtebuiging kan aannemen, is het in staat zijn achterbeen onder de massa te plaatsen. Vervolgens kan dit ondertredende achterbeen gewicht over gaan nemen van de voorhand en daardoor buigzamer worden. Dit gebeurt via de oefening schouderbinnenwaarts.

Sleutel 5: Buiging buitenachterbeen
De volgende stap is om het achterbeen buigzaam te maken in de functie van buitenachterbeen, Dit gebeurt via de travers. Het buitenachterbeen komt in deze oefening onder de massa waardoor het buigzamer wordt gemaakt. De travers zorgt ervoor dat de stuwkracht van het buitenachterbeen verhinderd wordt en dit achterbeen meer tot dragend wordt gebracht.

Sleutel 6: Buiging van beide achterbenen tegelijk
Als het paard geleerd heeft zijn lichaam te buigen en vervolgens ieder achterbeen, dan kan hem gevraagd worden beide achterbenen tegelijk te buigen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de pirouette en de piaffe. Een rechtgericht paard laat zich verzamelen en oprichten, zodat de voorhand ontlast wordt.

Het resultaat van alle zes sleutels is dat een paard symmetrisch ontwikkeld in lijf en ledematen en dat hij in balans komt. Het paard kan naar twee zijdes inbuigen, heeft gelijke schoudervrijhei, draagt en stuwt gelijkmatig met de achterbenen en draagt meer gewicht op de achterbenen.


Bron: Marijke de Jong, www.paardenbegrijpen.nl